Bas Jacobs

Thank you and silent night!

December 18, 2021

Op een onbebouwd veldje aan de rand van het gehucht dat in de eigen taal Stenen Poort, of Stenen Deur heet, zaten de twee blowmonkeys op van die ouderwetse, uitklapbare stoelen met van die pastelkleurig gestreepte, plastic zittingen en rugleuningen te filosoferen in de vorm van een dialoog die uit niet veel meer bestond dan het – alsof het een tenniswedstrijd betrof, over en weer passen van een gemompelde monoloog inferieur.

 

Het tafereeltje van iets verderop in het gehucht aanschouwend hadden Zé en ik besloten dat het ontbrak aan een degelijke soundtrack. Dus trok hij zijn mondharmonica uit zijn borstzak en wapende zich met woorden die ik ternauwernood verstond, voornamelijk omdat ik me vol concentreerde op het bespelen van mijn trekzak. Aan de overkant van de weg die meer weg had van een pad, stond de ouwe Chico, als F.M. Einheit van de Einstürzende Neubauten, met pvc-buizen op zijn even oude Kubota onbehouwen een ritme te rammen, want van slaan was gezien de felheid eigenlijk geen sprake.

 

Tussen ons in baande het gepeupel dat we al jaren geleden tot piepvolk hadden omgedoopt zich strompelend een weg door het leven. De grenzeloze illusie van de vrije-markt-economie die ze voorgespiegeld hadden gezien was verschrompeld tot een hersenloos kleuren binnen de lijntjes van wat de zelf verlangde piepkastjes ze dagelijks aan als vrije keuze verkochte beperkingen oplegde.

 

‘Voor ons verandert er niet zoveel,’ brulde Zé in een andere taal dan deze over het geluid van mijn trekzak en het vlijtig voortmeppen van Chico op de Kubota, waarop ik Zé aankeek en we beiden onbedaarlijk moesten lachen. Het was dan misschien nauwelijks verzet te noemen, maar we hadden er op onze manier wel schik in en dat zonder de dope dopamine piepjes van de piepkastjes waarmee mensen zich in de levenshallen die overal in de wereld opgericht waren (doorgaans op een locatie niet ver verwijderd van de datahallen die al langer in het veld stonden) op het gladde ijs van een gelukkige levensweg begaven.

 

Ik had ‘…die op de kleintjes let’ terug willen brullen naar Zé, maar besefte dat die referentie aan hem voorbij zou trekken wegens de verschillende uitwassen van eenzelfde vrije-marketing-economie hier ten lande. Bovendien ging tezelfdertijd brullen en spelen me, gezien mijn onervarenheid op het zuigende en zuchtende instrument, nog niet zo vlot af.

 

Als een plaat die tijdens een stoelendans gestopt wordt, staakte Chico plots met zijn gehouwehoer op de Kubota. Pauze. Zé mimede het sluiten van de gordijnen en subiet zetten de blowmonkeys een paar veldjes verderop een oude rapplaat op. Het volume van de op zonne-energie draaiende boombox ging op tien.

 

‘Godsamme,’ bromden de mensen in de levenshal, ‘zo kan ik die godvergeten piepjes toch niet horen. Hoe weet ik nou of ik iets heb aangeschaft? Ik word hier héél ongelukkig van’.

 

‘Dat wist je toch al niet, of je iets had aangeschaft’ mompelde een van de blowmonkeys, ‘dat weet je allang niet meer’, maar uiteraard was zijn gemompel al helemaal niet te verstaan in het oorverdovende geluid van Public Enemy.

 

In de pauze herinnerde ik Zé aan die quiz-vraag waar zoveel overpeinzingen mee begonnen waren. ‘Welke band zal als eerste gaan optreden (of zelfs een tourtje doen langs) in een supermarkt? – we noemden de levenshallen toen nog supermarkten.’

 

Fnuikende lachjes over en weer, haalden we wat andere herinneringen op aan bijvoorbeeld het moment dat de supermarkten, die toen nog supermarkten heetten, wat barkrukken en een dj bij de drankenafdeling van ieder filiaal plaatsten. Of het moment waarop ze een tiener in chefskleding bij de kant-en-klaar-maaltijden zetten, die het plastic velletje van de bovenkant trok en trots ‘voilá’ zei, waarna hij de clientèle plastic bestek gaf en een plek aan een ‘sfeervol’ gedekt tafeltje aanbood. Of, het zal ongeveer in hetzelfde reumatoïde tijdsgewricht zijn geweest, toen ze in de overbodige ruimte van de bedrijfskantine youtubefilmpjes gingen vertonen, waar het piepvolk popcorn peuzelend een ‘bioscoop-ervaring’ kon beleven.

 

Zé en ik? We kwamen niet meer bij.

 

In de levenshal piepte het piepvolk zich piepend met hun piepkastjes een weg naar binnen.

 

‘Haha, weet je nog, Zé, ooit noemden we die dingen telefoons!’

 

Zé sloeg zich als een Beierse dijenkletser op zijn dij. ‘Piep piep!’

 

‘En weet je nog Zé dat we allemaal murw geslagen maar mee gingen in dat hele 2G-idee!’

 

‘Piep piep,’ ging Zé weer en hij werd er plaatsvervangend gelukkig van.

 

‘En weet je nog hoe snel we daaraan gewend raakten. Hoe snel het ‘gewoon’ werd!’

 

‘Piep!’ ging Zé die het inmiddels al wat minder grappig vond.

 

‘En weet je nog…’ ging ik verder, maar Zé onderbrak me.

 

‘Je moet ook wat aan de verbeelding over laten,’ zei hij, waarop hij zijn mondharmonica pakte, Chico maande weer naast zijn Kubota te gaan staan met zijn pvc-buizen en mij de 10 kilo zware trekzak weer om mijn schouders hing.

 

‘En nou spelen!’Op een onbebouwd veldje aan de rand van het gehucht dat in de eigen taal Stenen Poort, of Stenen Deur heet, zaten de twee blowmonkeys op van die ouderwetse, uitklapbare stoelen met van die pastelkleurig gestreepte, plastic zittingen en rugleuningen te filosoferen in de vorm van een dialoog die uit niet veel meer bestond dan het – alsof het een tenniswedstrijd betrof, over en weer passen van een gemompelde monoloog inferieur.

 

Het tafereeltje van iets verderop in het gehucht aanschouwend hadden Zé en ik besloten dat het ontbrak aan een degelijke soundtrack. Dus trok hij zijn mondharmonica uit zijn borstzak en wapende zich met woorden die ik ternauwernood verstond, voornamelijk omdat ik me vol concentreerde op het bespelen van mijn trekzak. Aan de overkant van de weg die meer weg had van een pad, stond de ouwe Chico, als F.M. Einheit van de Einstürzende Neubauten, met pvc-buizen op zijn even oude Kubota onbehouwen een ritme te rammen, want van slaan was gezien de felheid eigenlijk geen sprake.

 

Tussen ons in baande het gepeupel dat we al jaren geleden tot piepvolk hadden omgedoopt zich strompelend een weg door het leven. De grenzeloze illusie van de vrije-markt-economie die ze voorgespiegeld hadden gezien was verschrompeld tot een hersenloos kleuren binnen de lijntjes van wat de zelf verlangde piepkastjes ze dagelijks aan als vrije keuze verkochte beperkingen oplegde.

 

‘Voor ons verandert er niet zoveel,’ brulde Zé in een andere taal dan deze over het geluid van mijn trekzak en het vlijtig voortmeppen van Chico op de Kubota, waarop ik Zé aankeek en we beiden onbedaarlijk moesten lachen. Het was dan misschien nauwelijks verzet te noemen, maar we hadden er op onze manier wel schik in en dat zonder de dope dopamine piepjes van de piepkastjes waarmee mensen zich in de levenshallen die overal in de wereld opgericht waren (doorgaans op een locatie niet ver verwijderd van de datahallen die al langer in het veld stonden) op het gladde ijs van een gelukkige levensweg begaven.

 

Ik had ‘…die op de kleintjes let’ terug willen brullen naar Zé, maar besefte dat die referentie aan hem voorbij zou trekken wegens de verschillende uitwassen van eenzelfde vrije-marketing-economie hier ten lande. Bovendien ging tezelfdertijd brullen en spelen me, gezien mijn onervarenheid op het zuigende en zuchtende instrument, nog niet zo vlot af.

 

Als een plaat die tijdens een stoelendans gestopt wordt, staakte Chico plots met zijn gehouwehoer op de Kubota. Pauze. Zé mimede het sluiten van de gordijnen en subiet zetten de blowmonkeys een paar veldjes verderop een oude rapplaat op. Het volume van de op zonne-energie draaiende boombox ging op tien.

 

‘Godsamme,’ bromden de mensen in de levenshal, ‘zo kan ik die godvergeten piepjes toch niet horen. Hoe weet ik nou of ik iets heb aangeschaft? Ik word hier héél ongelukkig van’.

 

‘Dat wist je toch al niet, of je iets had aangeschaft’ mompelde een van de blowmonkeys, ‘dat weet je allang niet meer’, maar uiteraard was zijn gemompel al helemaal niet te verstaan in het oorverdovende geluid van Public Enemy.

 

In de pauze herinnerde ik Zé aan die quiz-vraag waar zoveel overpeinzingen mee begonnen waren. ‘Welke band zal als eerste gaan optreden (of zelfs een tourtje doen langs) in een supermarkt? – we noemden de levenshallen toen nog supermarkten.’

 

Fnuikende lachjes over en weer, haalden we wat andere herinneringen op aan bijvoorbeeld het moment dat de supermarkten, die toen nog supermarkten heetten, wat barkrukken en een dj bij de drankenafdeling van ieder filiaal plaatsten. Of het moment waarop ze een tiener in chefskleding bij de kant-en-klaar-maaltijden zetten, die het plastic velletje van de bovenkant trok en trots ‘voilá’ zei, waarna hij de clientèle plastic bestek gaf en een plek aan een ‘sfeervol’ gedekt tafeltje aanbood. Of, het zal ongeveer in hetzelfde reumatoïde tijdsgewricht zijn geweest, toen ze in de overbodige ruimte van de bedrijfskantine youtubefilmpjes gingen vertonen, waar het piepvolk popcorn peuzelend een ‘bioscoop-ervaring’ kon beleven.

 

Zé en ik? We kwamen niet meer bij.

 

In de levenshal piepte het piepvolk zich piepend met hun piepkastjes een weg naar binnen.

 

‘Haha, weet je nog, Zé, ooit noemden we die dingen telefoons!’

 

Zé sloeg zich als een Beierse dijenkletser op zijn dij. ‘Piep piep!’

 

‘En weet je nog Zé dat we allemaal murw geslagen maar mee gingen in dat hele 2G-idee!’

 

‘Piep piep,’ ging Zé weer en hij werd er plaatsvervangend gelukkig van.

 

‘En weet je nog hoe snel we daaraan gewend raakten. Hoe snel het ‘gewoon’ werd!’

 

‘Piep!’ ging Zé die het inmiddels al wat minder grappig vond.

 

‘En weet je nog…’ ging ik verder, maar Zé onderbrak me.

 

‘Je moet ook wat aan de verbeelding over laten,’ zei hij, waarop hij zijn mondharmonica pakte, Chico maande weer naast zijn Kubota te gaan staan met zijn pvc-buizen en mij de 10 kilo zware trekzak weer om mijn schouders hing.

 

‘En nou spelen!’


Profile picture

Bem-vindo! Welkom!
Hier vind je de uitingen van Bas Jacobs: schrijver, gitarist, bassist, drummer, zanger, accordeonist, harker, kok, horeca-tycoon, echtgenoot, bohemien